Wie de dossiers kent uit zorg of het onderwijs, merkt hoe snel gedrag verandert in een verhaal. Dat verhaal ontstaat vaak met de beste bedoelingen. Toch zien we in dossieranalyses regelmatig hoe die verklaringen langzaam steviger worden dan het gedrag waarop ze gebaseerd zijn.
Een van onze werkzaamheden als gedragsanalisten is het onder de loep nemen en analyseren van zorg- en onderwijsdossiers en soms ook juridische dossiers. Professionals hebben het nodig om te begrijpen wat er gebeurt, te zoeken naar patronen en verklaringen te formuleren. Wij kijken heel precies naar deze taal. We speuren naar aannames, naar interpretaties die als feiten worden gepresenteerd en naar stelligheden over gedrag. Gedrag is namelijk het enige dat daadwerkelijk waarneembaar is. Alles wat daarover wordt gezegd en geschreven, is een interpretatie van dat gedrag. Zodra interpretatie en observatie door elkaar gaan lopen, kan een dossier een werkelijkheid gaan beschrijven die te weinig recht doet aan de realiteit, maar die wel invloed heeft op het vervolg.
Neem een eenvoudige observatie: een kind gooit een stoel om en schreeuwt. Dat is gedrag. Het is zichtbaar, hoorbaar en concreet. In dossiers verandert zo’n observatie echter vaak al snel in een verklaring: het kind manipuleert, zoekt grenzen op, probeert controle te houden, wil aandacht. Dat zijn woorden die verklarend klinken, maar ze beschrijven geen waarneembaar gedrag meer. Ze beschrijven een interpretatie van intentie.
Het probleem is dat interpretaties zich in dossiers gemakkelijk vastzetten. Zodra een verklaring eenmaal op papier staat, wordt ze vaak gelezen als feit. Nieuwe professionals nemen die informatie mee voordat ze het kind ontmoeten. Verwachtingen worden gevormd, en verwachtingen sturen waarneming. In de psychologie staat dit bekend als confirmatiebias: mensen zijn geneigd informatie te zoeken en te onthouden die hun bestaande overtuigingen bevestigt.
Wanneer een kind eenmaal als manipulatief of oppositioneel in een dossier staat, wordt gedrag vaker door die bril bekeken. Gedrag dat bij dat beeld past, wordt sterker opgemerkt. Gedrag dat daar niet bij past, krijgt minder aandacht. Zo ontstaat langzaam een dossier dat steeds overtuigender lijkt te bewijzen wat ooit begon als een eerste interpretatie.
Maar confirmatiebias is slechts één van de mechanismen die een rol kunnen spelen. Het menselijk geheugen zelf is namelijk veel minder betrouwbaar dan we vaak denken.
Veel mensen ervaren hun geheugen als een soort opslagplaats van gebeurtenissen, alsof herinneringen ergens liggen opgeslagen en later weer kunnen worden opgehaald. In werkelijkheid werkt geheugen reconstructief. Elke keer dat we een gebeurtenis herinneren, bouwen we die herinnering opnieuw op. Daarbij gebruiken we fragmenten van wat er gebeurd is, aangevuld met kennis, verwachtingen en verhalen die later zijn ontstaan.
Dat betekent dat herinneringen gewoonweg niet betrouwbaar zijn.
Een verschijnsel dat daarbij kan optreden is confabulatie. Confabulatie betekent dat iemand een herinnering vertelt die feitelijk niet klopt, zonder dat die persoon zich daarvan bewust is. Het brein vult als het ware gaten in het geheugen op om een samenhangend verhaal te maken. Dat gebeurt niet vanuit opzet. Het brein probeert simpelweg orde te scheppen in incomplete informatie.
Confabulatie komt in extreme vorm voor bij bepaalde neurologische aandoeningen, zoals het syndroom van Korsakov. Maar mildere vormen van geheugenreconstructie komen bij iedereen voor. Mensen kunnen zich gebeurtenissen herinneren die anders verliepen dan ze later vertellen, of details toevoegen die logisch lijken maar nooit werkelijk zijn gebeurd.
In dossiers kan dat subtiel zichtbaar worden wanneer professionals gebeurtenissen beschrijven die langere tijd geleden plaatsvonden. Wat begon als een korte observatie kan in latere rapportages uitgebreider en stelliger worden. Details worden toegevoegd, intenties worden ingevuld en gebeurtenissen krijgen een betekenis die destijds misschien nog niet zo duidelijk was.
Daar speelt nog een ander bekend geheugenmechanisme doorheen: hindsight bias. Dat is de neiging om achteraf te denken dat iets voorspelbaar was. Wanneer een kind bijvoorbeeld later ernstige problemen ontwikkelt, kan het lijken alsof eerdere signalen al duidelijk in die richting wezen. Zo kan een dossier langzaam herschreven worden door de tijd.
Daarnaast kennen we het zogenaamde Forer-effect. Dat is het fenomeen waarbij mensen algemene beschrijvingen herkennen als zeer specifiek en persoonlijk. In diagnostiek en gedragsbeschrijvingen kan dat een rol spelen wanneer brede formuleringen worden gebruikt die op veel kinderen van toepassing zouden kunnen zijn. De beschrijving voelt dan nauwkeurig, terwijl ze eigenlijk weinig onderscheidend is.
Ook heuristieken spelen een rol. Het menselijk brein gebruikt mentale snelkoppelingen om complexe situaties te begrijpen. Die helpen ons om snel beslissingen te nemen, maar ze kunnen ook leiden tot versimpelingen. Een kind dat één keer agressief gedrag laat zien kan bijvoorbeeld sneller in het hokje “agressief” geplaatst worden, terwijl dat gedrag misschien contextgebonden was.
Wanneer al deze mechanismen samenkomen, ontstaat een risico. Gedrag wordt eerst geïnterpreteerd, vervolgens bevestigd door verwachtingen, later gereconstrueerd door geheugen en uiteindelijk vastgelegd in taal die steeds stelliger klinkt. Het dossier krijgt daarmee een eigen dynamiek.
Dat betekent niet dat professionals onzorgvuldig werken. Integendeel. De meeste dossiers ontstaan vanuit betrokkenheid en de wens om een kind te helpen. Juist daarom is het belangrijk om te beseffen hoe menselijk waarneming en geheugen werken. Niemand kijkt volledig objectief. Iedereen interpreteert.
Dossieranalyse is daarom in de kern een oefening in precisie. We doen ons best observaties te scheiden van interpretaties. We kijken waar aannames zijn binnengeslopen en waar taal stelliger klinkt dan de waarneming rechtvaardigt. Vaak betekent dat simpelweg teruggaan naar de basisvraag: wat is hier daadwerkelijk gezien of gehoord? Wanneer observaties opnieuw worden geformuleerd zonder interpretaties, verandert het verhaal vaak al. Gedrag wordt concreter, context wordt zichtbaar en ruimte ontstaat voor meerdere mogelijke verklaringen. Dat heeft gevolgen voor hoe kinderen worden benaderd. Een kind dat gezien wordt als “manipulatief” roept een andere reactie op dan een kind dat wordt beschreven als “raakt overspoeld en gooit spullen om”. De eerste formulering suggereert intentie, de tweede beschrijft gedrag.
Hoe stelliger de beweringen over kinderen worden, hoe belangrijker het wordt om een stap terug te doen. Juist omdat menselijke waarneming altijd een mengsel is van observatie, interpretatie en geheugen. En als we dat erkennen, ontstaat er ruimte om gedrag opnieuw te bekijken. Vaak met meer nuance. En hopelijk ook met meer begrip voor het kind dat achter het dossier schuilgaat.
Onze Taal als Tool training van april zit vol maar in juni hebben we nog plek. Incompany kan natuurlijk ook.
