“De realiteit is niet verschoven. Ik ben dat zelf. Ik heb geen houvast meer aan mijn herinneringen. Ze bewegen. Ze verschieten van vorm. Iets verandert in mij. Ik verander in iets. Ik heb een wond in mijn hand die ik me niet herinner. En een geur in mijn haar die nergens vandaan komt.” (Uit: De derde hypothese)
Tijdens TraumaTrainingen 1 stond deze week het geheugen centraal. We namen onze cursisten mee in hoe feilbaar onze waarneming is en hoe weinig we eigenlijk kunnen vertrouwen op het idee van een ‘objectieve waarneming en herinnering’. Een van de begrippen die wij daarbij introduceerden, was confabulatie.
Gisteren, in Weesp, bij het Autisme Netwerk Noord-Holland, kwam het onderwerp opnieuw ter sprake, in een zaal met ouders, professionals en mensen met autisme. Het leverde knikjes van herkenning op, maar ook een stille verwarring: “Dus… het lijkt op liegen, maar dat is het niet?” Confabulatie is een slimme manier van ons brein om gaten in herinneringen te vullen, zodat er een verhaal ontstaat dat klopt – of beter gezegd: dat draaglijk voelt.
Als herinnering en beleving door elkaar lopen
Een jongen met autisme komt thuis en zegt dat hij de hele dag buitengesloten is geweest. Jij hoort later dat hij in de pauze gewoon meegevoetbald heeft. Voor hem klopt zijn verhaal, want zijn zenuwstelsel heeft vooral dat gevoel van buitengesloten zijn opgeslagen. Het brein plakt er een narratief bij dat daarbij past.
Of een meisje met een traumatisch verleden vertelt dat de leerkracht haar heeft uitgescholden. Jij vraagt na bij school en niemand herinnert zich zo’n moment. Toch klinkt ze overtuigend. Niet omdat ze bewust iets verzint, maar omdat haar brein de losse flarden van een stressvolle dag heeft samengevoegd tot een verhaal dat past bij haar diepste angst: afgewezen worden.
Voor ouders en begeleiders is dat pijnlijk. Je wilt de feiten rechtzetten, maar het verhaal voelt voor het kind als de waarheid.
Wat de wetenschap ons leert
De Amerikaanse psycholoog Elizabeth Loftus heeft haar carrière gewijd aan het bestuderen van hoe herinneringen gevormd en vervormd worden. Haar onderzoeken zijn inmiddels klassiek. In één beroemd experiment werd mensen verteld dat ze als kind ooit verdwaald waren in een winkelcentrum. Een deel begon zich dat later daadwerkelijk te “herinneren”, compleet met details die nooit hadden plaatsgevonden.
Loftus liet zien dat herinneringen niet vastliggen, maar elke keer dat we ze oproepen, herschreven worden. Een herinnering is geen opname die je terugspoelt, maar een puzzel die je telkens opnieuw legt – en soms vul je een ontbrekend stukje in met iets dat aannemelijk klinkt. Zo ontstaan false memories.
Bij kinderen en volwassenen met trauma, hechtingsproblemen of autisme is die kans nog groter. Hun brein staat vaak in overlevingsstand. De hippocampus (ons geheugenarchief) en de amygdala (ons alarmsysteem) werken dan niet soepel samen. Gevolg: gebeurtenissen worden fragmentarisch opgeslagen. Wanneer het kind later teruggrijpt naar wat er gebeurd is, vult het brein de gaten in. Voor buitenstaanders klinkt het als een leugen. Voor het kind voelt het echt.
Hoe we ermee om kunnen gaan
Het vraagt veel van ouders en professionals om dit niet te zien als liegen. Toch is dat belangrijk. Straf, boosheid of preken over eerlijkheid vergroten alleen maar de spanning en de schaamte.
Wat helpt, is nieuwsgierigheid en erkenning. Je kunt bijvoorbeeld zeggen:
“Wat naar dat je dit zo ervaren hebt. Ik heb iets anders gehoord. Zou het kunnen dat je nog denkt aan een andere keer?”
Zo geef je erkenning voor de beleving en vooral aan het gevoel wat ervaren is zonder het verhaal te bevestigen of te ontkennen. Vaak gaat het uiteindelijk niet over de precieze gebeurtenis, maar over de emotie die eronder zit: het gevoel er niet bij te horen, bang te zijn, of de behoefte naar gezien te worden.
En wij zelf dan?
Laten we ook eerlijk zijn: confabulatie is niet exclusief voor een bepaalde groep. We doen het allemaal. Denk maar aan discussies tijdens een familie-etentje over hoe een vakantie ging: drie versies van hetzelfde verhaal, allemaal even overtuigd. Of de keer dat je zeker wist dat je de auto op de oprit had gezet, tot je hem verderop in de straat terugvindt.
Ons geheugen schrijft verhalen. Het maakt de gaten dicht, soms met een glimlach, soms met een drama. En dat doen we zonder dat we het doorhebben.
Loftus’ werk laat ons zien hoe diep onze herinneringen beïnvloedbaar zijn. Voor de zorgpraktijk is dat noodzakelijk om te begrijpen. Want op het moment dat we een kind, een ouder of een cliënt beschuldigen van liegen, kan het net zo goed zijn dat hun brein een ander plaatje compleet heeft gemaakt. En soms ook: dat ons eigen brein een ander verhaal heeft vastgezet dan er werkelijk gebeurde.
Daarom vraagt werken met trauma, autisme en hechtingsproblematiek om besef van die feilbaarheid. Het gaat niet om wie de waarheid in pacht heeft, maar om samen nieuwsgierig te blijven naar wat eronder ligt. Achter elk verhaal zit een emotie, een verlangen, een spanning die echt is – ook als de feiten rafelen.
