Regelmatig krijg ik rapporten om te analyseren. Soms wel drie of vier, soms nog meer. Allemaal over hetzelfde kind, geschreven door verschillende professionals. En dan zie je hoe bijzonder taal kan werken. De ene schrijft: “Het kind is rustig.” De ander: “Het kind communiceert nauwelijks.” Weer een ander: “Het kind is dromerig.” Allemaal keurige woorden, allemaal netjes geformuleerd. Maar nergens staat wat dat kind dan precies deed. Hoe zag die rust eruit? Wat bedoelde iemand met ‘dromerig’? Waarop is de conclusie “communiceert nauwelijks” eigenlijk gebaseerd? Zou het ook kunnen zijn dat het kind vanuit overprikkeling zich helemaal heeft afgesloten?
Dat is de valkuil van veel rapporten: er staat vaak een conclusie, maar niet de waarneming eronder. Je leest diagnoses en bevindingen, maar je ziet geen kind. En als zoiets vaak genoeg over jouw kind wordt geschreven, lijkt het alsof hij of zij zelf langzaam uit de tekst wordt gegumd.
De meeste professionals bedoelen dat helemaal niet zo. Integendeel. Ik zie altijd wel de goede intentie. Willen ze juist respectvol zijn en objectief blijven. Maar precies in dat nette, voorzichtige formuleren sluipt, zoals ik het heb genoemd, verschuiltaal en verdwijntaal binnen.
Verschuiltaal herken je meteen. Dat is taal die ongemak afdekt en veel gladstrijkt. Het klinkt zorgvuldig, maar zegt weinig. Het zijn zinnen die bedoeld zijn om helderheid te geven, maar die er vooral voor zorgen dat niemand zich verantwoordelijk hoeft te voelen.
Verdwijntaal gaat nog verder. Daarin verdwijnt de mens zelf. Het kind, de ouder of de jongere verandert in een diagnose of een abstractie. Je leest een keurige zin, maar de pijn en de werkelijkheid verdwijnen uit beeld. En dat is tricky, want woorden sturen beleid en beslissingen. Eén duiding kan genoeg zijn om een traject een andere kant op te sturen.
Een voorbeeld. In een rapport staat: “De plaatsing is verlengd.” Netjes, administratief. Maar de werkelijkheid is dat een kind nog langer elders verblijft. Of: “De jongere functioneert onder zijn niveau.” Het klinkt objectief, maar wat er vaak gebeurt: zijn hoofd zit vol stress en hij redt het nu niet. Meestal staat er niet bij waardoor.
En het blijft niet bij dit soort zinnen. Bijna elk dossier dat ik lees, zit er vol mee. Het is alsof taal een schild is geworden, een manier om afstand te creëren van de rauwe werkelijkheid. En precies daar wringt het. Want achter die taal gaat een echt mens schuil.
Een rijtje verschuiltaal:
- “De zorgen worden meegenomen in het proces.” → We schuiven het door en hopen dat iedereen het vergeet.
- “Er zijn fouten gemaakt.” → Het is misgegaan, maar niemand is verantwoordelijk.
- “Het team signaleert…” → Een paar zeiden wat, de rest niet.
- “Er wordt gewerkt aan een plan.” → Er ligt nog niks, maar het klinkt alvast productief.
- “We zetten in op maatwerk.” → We doen wat we altijd doen, maar noemen het maatwerk.
- “We monitoren de situatie.” → We kijken toe en noemen dat beleid.
En dit zijn voorbeelden van verdwijntaal:
- “Niet coöperatief.” → Ze protesteerde tegen een besluit dat haar raakte.
- “Oppositioneel gedrag.” → Hij had er genoeg van en liet dat zien.
- “Het kind reageert niet adequaat.” → Het kind snapte ons niet. Wij hebben het niet goed uit kunnen leggen.
- “Het netwerk functioneert onvoldoende.” → De familie is moe en uitgeput, maar dat durven we niet te zeggen.
- “De cliënt toont beperkt inzicht in eigen handelen.” → Hij ziet het anders dan wij, en dat vinden we lastig.
Het verschil is duidelijk. Verschuiltaal is een masker: het laat ongemak verdwijnen. Verdwijntaal is een uitwissing: het laat de mens verdwijnen.
Wat ik zelden zie, is dat de professional zichzelf meeneemt in het verhaal. Het gaat altijd over: “het kind deed dit” of “de jongere vertoonde dat”. Maar nooit lees je: “X raakte overprikkeld en escaleerde. Ik had niet in de gaten dat hij al aan zijn tax zat.” Of: “Ik had zelf een slechte dag en daardoor werd het onrustig in de klas.” Terwijl dat eerlijk zou zijn. Want gedrag ontstaat altijd in interactie, niet in isolatie.
En ouders? Die worden vaak compleet overrompeld door die verslagen. Zeker als het ene verslag iets heel anders zegt dan het andere. Wat is dan juist? Wat gaat helpen? Soms staan behandelingen zelfs haaks op elkaar, of kan er niets gestart worden omdat er eerst iets anders moet. Voor ouders lijkt het dan net alsof ze van eiland naar eiland moeten varen, op zoek naar samenhang. Alleen blijken die eilanden meestal onbewoond — en moeten ze zelf maar zien wat past, en waar ze ook nog achter kunnen staan. Het is immers hun kind.
Het meest pijnlijke vind ik nog hoe ouders vaak alleen als “moeder” of “vader” in rapporten staan. “Moeder werkt niet mee.” “Vader was niet aanwezig bij het gesprek.” Alsof ze geen naam hebben, geen gezicht, geen verhaal. Dat is misschien wel de ultieme verdwijntaal: mensen reduceren tot rollen in een dossier. Terwijl het gewoon gaat over Anneke, Fatima of Erik. Over mensen van vlees en bloed.
Ik ben zelf niet goed in verdwijn- en verschuiltaal. Ik kan niet verhullen of mooier maken dan het is. Voor sommige mensen is dat wennen, want mijn Twentse aard maakt dat ik vaak gewoon zeg waar het op staat. Soms klinkt dat recht voor z’n raap, soms zelfs wat bot. Maar er zit een voordeel aan: het is wel duidelijk. En duidelijkheid scheelt een hoop papier, tijd en vooral valse verwachtingen en misverstanden.
Dus stel jezelf de volgende keer dat je een verslag leest of schrijft de vraag: wie verdwijnt er achter deze woorden? En nog belangrijker: wie zou er zichtbaar worden als we het gewoon eerlijk opschrijven?
Hulp nodig? Vraag Ingrid of mij voor een analyse.
